Feline Infectieuze Peritonitis.




FIP (Feline Infectieuze Peritonitis) is een veel voorkomende ziekte bij katten. De ziekte wordt veroorzaakt door het coronavirus dat onder twee vormen voorkomt.
Het feline enteric coronavirus (FECV) is de meest geziene vorm en veroorzaakt soms wat diarree.
Waar veel katten samenwonen zijn 80 tot 90 % van de populatie met dit virus besmet.
Soms gaat dit virus muteren waardoor een kwaadaardige variant ontstaat: het FIP-virus. Dit gebeurt slechts in +/- 2% van de gevallen. Wanneer en hoe deze mutatie ontstaat is nog niet helemaal achterhaald.


Risicofactoren

FIP ziet men vooral bij jonge katjes (3 maanden – 5 jaar) en erg oude katten (10 – 14 jaar). Raskatten – en dan voornamelijk de Burmees en de Pers – blijken gevoeliger te zijn. Buitenkatten en huishoudens met meerdere katten verhogen ook het risico op infectie. Ook spelen slechte conditie en stress een grote rol. FIV en FELV kunnen FIP induceren.

Overdracht

Het virus wordt uitgescheiden in speeksel, urine en ontlasting. Door contact te hebben met besmet materiaal kan de kat geïnfecteerd worden. Eenmaal het virus in het lichaam is binnengedrongen gaat het vermeerderen ter hoogte van de keel, de darmen en de drainerende lymfeknopen. Van daaruit dringt het de macrofagen (onstekingscellen) binnen en verspreid het virus zich over heel het lichaam. Er ontstaat een afweerreactie met vorming van immuuncomplexen en ontsteking van de bloedvaten. Tien dagen na infectie wordt het virus door de kat al uitgescheiden.

Na infectie zijn erviermogelijkheden:


  1. Ontwikkeling van FIP (2 tot 5% van de gevallen)
  2. Tijdelijke infectie: Uitscheiding van het FCEV gedurende 2 tot 3 maanden. 
    De kat wordt seropositief, 
    waarna gaat de uitscheiding van het virus stopt en de kat opnieuw seronegatief wordt.
    Deze katten kunnen wel opnieuw geïnfecteerd worden. Deze manier van infectie komt het vaakst voor.
  3. Levenslange drager: het virus aanwezig is aanwezig in het lichaam en wordt ook uitgescheiden, 
    maar de kat is niet ziek (13% van de katten)
  4. Een zeer klein aantal katten zou van nature resistent zijn


Symptomen

De symptomen ontstaan weken tot jaren nadat de kat geïnfecteerd werd.


1. De vochtige vorm

De vochtige vorm wordt het meest gezien (60-70%) en kent een snellere progressie dan de droge vorm. Het FIP virus veroorzaakt een veralgemeende vasculitis (ontsteking van de bloedvaten). Hierdoor ontstaan er “lekken” en gaat er zich een geelbruin stroperig vocht opstapelen in de lichaamsholten. Dit kan ter hoogte van de buik gebeuren, maar soms zijn de borstkas of het hartzakje aangetast. De symptomen zijn dan afhankelijk van de plaats waar het vocht zich bevindt: ademhalingsproblemen door druk op de longen of een dikke buik. Andere symptomen die kunnen optreden zijn: anemie (bloedarmoede), maag- en darmzweren, geelzucht, opzetting van de lymfeknopen, conjunctivitis en neurologische symptomen.

2. De droge vorm

De droge vorm verloopt trager. Bij deze vorm ontstaan er granulomen ter hoogte van verschillende organen (lever, nier, peritoneum) en is er weinig vochtopstapeling. Vaak zijn er vage klachten zoals gewichtsverlies, depressie, koorts, braken, diarree, doffe vacht, groeiachterstand (zelden). Ook hier zijn de symptomen afhankelijk van het aangetaste orgaan:
- Oogproblemen: conjunctivitis, uveïtis, blindheid, verkleuring van de iris
- Nierproblemen: veel drinken en plassen.
- Leverfalen: icterus
- Pancreas: braken en diarree
- Neurologische symptomen: paralyse, ataxie (wankelgang), beven, nystagmus, epilepsie, karakterveranderingen



Het is belangrijk te weten dat al deze klachten ook kunnen veroorzaakt worden door andere (behandelbare) aandoeningen!

Welke vorm de kat gaat ontwikkelen is afhankelijk van de immuniteit. Bij verlaagde immuniteit zal de kat de vochtige vorm ontwikkelen. Een sterkere immuunrespons resulteert in de droge vorm. Wanneer het lichaam goed reageert wordt de kat drager voor een aantal jaren. Wanneer het immuunsysteem dan verzwakt kunnen ze na een tijdje de ziekte ontwikkelen.

Diagnose

De diagnose van FIP is zeer moeilijk. Aan de hand van de symptomen, RX en labo-onderzoek kan men een waarschijnlijkheidsdiagnose stellen. De definitieve diagnose kan maar door middel van microscopisch onderzoek van aangetast weefsel. Dit gebeurt post mortaal of eventueel aan de hand van een biopt bekomen via laparotomie. 


Dit is het typische beeld van een FIP poes op autopsie. Granulomateuse gezwellen op de darmen, gezwollen lymfeklieren en taai vocht in en op de darmen.

Andere onderzoeksmethodes zijn :

  1. Antistoftiter bepalen : Het probleem hiermee is dat er geen onderscheid kan gemaakt worden tussen FCoV en FIPV. Een titer > 1280 in combinatie met andere positieve labo-onderzoeken is suggestief voor FIP. Vals positieve resultaten komen voor bij vaccinatie.
  2. Albumine/Globuline ratio op plasma of effusievloeistof. Een eiwitgehalte > 35 g/L en A/G < 0,4 is zeer suggestief voor FIP. Wanneer A/G > 0,8 is het zeer waarschijnlijk geen FIP.
  3.  Alfa-1-glycoproteïnezuur is gestegen bij FIP. Het probleem is dat dit eiwit bij tal van aandoeningen kan stijgen zoals bij virale, bacteriële, schimmelinfecties en bij recent trauma.
  4. Cytologie op effusievloeistof bij de natte vorm
  5. Haematologie

Behandeling

Jammer genoeg bestaat er nog geen behandeling voor FIP. Eventueel kan men het leven aangenamer maken door middel van ondersteunende therapie zoals cortisone, antibiotica en hoog kwaliteitsvoeder. Veel geneesmiddelen zijn nog in de onderzoeksfase.

Als preventie kan men vaccineren maar dit is nog controversieel. Indien de kat geïnfecteerd is, heeft vaccineren geen zin. Indien de kat nog niet geïnfecteerd is, kan men eventueel vaccineren maar de efficaciteit hiervan is nog niet bewezen.

  

Prognose

Op het moment dat de diagnose gesteld wordt, is de ziekte vaak al vergevorderd. Bij de natte vorm overleven de katten meestal nog dagen tot weken, soms enkele maanden. Bij de droge vorm ziet men katten die soms nog een jaar of meer overleven.